Blog Marjolein Jorna: VAN EEN BIJNA DOODERVARING TOT GEZELLIGHEID ROND DE POMP

VAN EEN BIJNA DOODERVARING TOT GEZELLIGHEID ROND DE POMP: HET VROEGERE WEL EN WEE IN DE HOF VAN WOUW

Onlangs werd ik gevraagd om tijdens een bewoonstersbijeenkomst van de Hof van Wouw een praatje te houden. Het onderwerp: het leven in de Hof in vroeger tijden. Helaas kon ik die dag niet. Jammer, want er is genoeg over de vroegere bewoonsters en hun dagelijks leven in het Hofje van Cornelia van Wouw te vertellen. Deze plek biedt immers al ruim 350 jaar onderdak aan alleenstaande vrouwen. Dit lange verleden als charitatieve instelling heeft, net als het wel en wee van de bewoonsters, zijn sporen nagelaten in bijvoorbeeld de vergaderverslagen van de regenten en in oude kranten. Zo verhalen ze van een avondklok, een 18e eeuwse bewoonster die krankzinnig werd verklaard en van een bewoonster die tijdens wat bedoeld was als een gezellig avondje ternauwernood aan de dood ontsnapte.

Gelukkig is een blog als dit echter ook een prima manier om dit deel van de geschiedenis van het Hofje aan de vergetelheid te onttrekken. Daarom in dit derde blog: een terugblik op het wonen in de Hof van Wouw in de afgelopen eeuwen en op de lotgevallen van enkele van haar bewoonsters gedurende de 17e t/m de 20e eeuw.

Voor wat hoort wat

De stichteres van de Hof, Cornelia van Wouw, stelde in de periode 1650-1680 het reglement en de voorwaarden voor opname op. Haar hofje was nadrukkelijk bedoeld voor de opvang van arme, alleenstaande vrouwen, in de 17e eeuw vaak weduwen of “oude vrijsters”, “van de waare gereformeerde religie”. De bewoonsters waren verzekerd van gratis onderdak, onderhoud in de vorm van een kleine toelage, brandstof en van een sociaal vangnet bij ziekte of bepaalde gebreken. De veiligheid van de bewoonsters werd gewaarborgd door de muren om het hofje heen en door de regel dat de dames ‘s nachts niet buiten de Hof mochten verblijven. De poort ging ‘s avonds ook op slot.

Daar stond tegenover dat hun bezittingen, zoals kleding en meubilair, na hun overlijden toevielen aan de Hof van Wouw. Wilden potentiële bewoonsters dit laatste niet, dan kregen ze alleen een huisje als zij afstand deden van het recht op de maandelijkse toelage, de gratis turf en hulp bij ziekte of andere noodsituaties.

Participatiesamenleving “avant la lettre”

Cornelia volgde hierbij de gewone gang van zaken binnen de armen- en ouderenzorg in Den Haag. Kerkelijke en overheidsinstanties voor de opvang van de armen en ouderen binnen de samenleving boden vanaf de Middeleeuwen vergelijkbare zorg, bijvoorbeeld in Proveniershuizen en Oude mannen en vrouwenhuizen. In zekere zin waren dit de voorlopers van de huidige verzorgingstehuizen en de tot voor kort bestaande bejaardentehuizen. Soms was de zorg gratis, in andere gevallen moest men zich inkopen. De vroegere Nederlandse samenleving was een soort participatiemaatschappij “avant la lettre”. Zonder dergelijke opvang zouden talloze minder bedeelde mannen en vrouwen tussen wal en schip zijn beland.

Vrijheid en privacy

Voor ons lijken de vroegere voorwaarden waarop alleenstaande dames een huisje in het hofje van Cornelia mochten bewonen misschien streng. In grote lijnen gelden zij echter nog steeds, zij het dat ze zijn aangepast aan deze tijd. Zo betalen de bewoonsters van de Hof al minimaal een eeuw huur; we weten dat deze in 1911 fl.0,50 per week bedroeg.

Bovendien waren de bewoonsters van het hofje van Cornelia in het verleden vermoedelijk beter af dan de minder bedeelde dames in Oude vrouwenhuizen. De Hof van Wouw bood “haar dames” iets waar de bewoonsters van deze huizen alleen maar van konden dromen: een zekere mate van privacy en bovenal: vrijheid. In de Hof van Wouw woonden de dames, net als nu, elk in een eigen huisje, voerden zij hun eigen huishouding en konden zij waarschijnlijk zelf hun dag indelen.

Kletsen en kibbelen bij de pomp

Natuurlijk zullen de dames elkaar in de Hof vaak zijn tegengekomen, of zelfs tot elkaar veroordeeld zijn geweest. Ze hadden immers de verplichting om voor elkaar te zorgen. Daarnaast had de Hof tot en met de 20e eeuw meerdere gemeenschappelijke voorzieningen: de pomp (de enige watervoorziening in de Hof), het washok (de enige plaats waar de bewoonsters de was mochten doen, wellicht om ongelukken met heet water in de huisjes te voorkomen) en twee houten keetjes in de tuin die tot 1904 als “toilet” dienden (ga er maar aan staan bij hoge nood). Deze voorzieningen fungeerden als natuurlijke ontmoetingspunten voor de bewoonsters. Daarnaast moesten zij gezamenlijk, tezamen met de binnenmoeder, de Hof schoonhouden. Waarschijnlijk zal er hierbij heel wat gelachen, maar ook gekibbeld zijn. Maar altijd was er het eigen woninkje waar de dames zich konden terugtrekken als zij dat wilden. De huisjes bestonden eeuwenlang uit een kleine woonkamer met bedstede, een turfhok, en een zolderverdieping die via een smalle, steile trap te bereiken was – en waar de bewoonsters dus vermoedelijk weinig kwamen. Pas sinds een jaar of 60 hebben de huisjes een aparte slaapkamer en douche op de eerste etage.

Gevangeniskamertje

In de Oude vrouwen huizen, net als overigens in de oude mannen- en weeshuizen, heerste daarentegen een soort gevangenisregime. Hiermee hoopten de regenten de “orde en zindelijkheid” bij de bewoners te kunnen bewaren en bevorderen, evenals goed “christelijk gedrag”. Dit waren deugden die in de 17e t/m halverwege de 20e eeuw hoog in het vaandel stonden. De regenten bepaalden in deze instellingen wanneer de bewoners, doorgaans de “subjecten” of “verpleegden” genoemd, opstonden (vroeg!), naar bed gingen (ook vroeg) en hoeveel tijd zij besteedden aan eten, bidden, werken (veel) en aan ontspanning (niet of weinig). Slapen gebeurde op gemeenschappelijke slaapzalen, maar gezellig was dit niet. Praten met elkaar was namelijk verboden bij het opstaan en het naar bed gaan, net als tijdens de arbeid. Bezoek mochten de bewoners in bepaalde huizen slechts op vastgestelde dagen en niet meer dan twee dagen per week ontvangen. Wie zich misdroeg, liep het risico in het “gevangeniskamertje” of “aan het blok” terecht te komen, althans in het Oude vrouwen- en kinderhuis, opgericht door de Diaconie van de Hervormde gemeente in Den Haag.

Rust en veiligheid

Voor menig bewoonster lijkt het wonen in een liefdadigheidshofje eindelijk rust te hebben betekend. Zo verscheen er eind 18e eeuw een prent van twee bewoonsters van een onbekend, mogelijk imaginair hofje die bij een pomp staan. De tekst daaronder luidde: “Hier heb ik een vrije wooning. Eetb’re waaren en verschooning, ‘k zet nu ‘t zorgen uit mijn hoofd.” Deze regels waren onderdeel van een volksliedje uit die tijd.

Misschien komt het door deze rust en veiligheid dat dames soms wel meerdere decennia in het hofje van Cornelia woonden. Zo mocht Johanna Jacoba van der Vliet zich bewoonster noemen van 1703 tot aan haar dood in 1746. In die periode was ze ook ruim 30 jaar binnenmoeder van de Hof. Ze heeft vermoedelijk nog net meegemaakt dat één van haar medebewoonsters na 20 jaar in de Hof door bekenden “naar huis” werd gehaald. Maar ouderdom kwam wel vaak met gebreken. In de 18e eeuwse notulen van het regentencollege zijn hier verschillende voorbeelden van te vinden.

Het wel en vooral het wee van een aantal bewoonsters

Alida van der Schans

De binnenmoeder en de regenten hadden midden 18e eeuw bijvoorbeeld heel wat te stellen met Alida van der Schans. Zij was in 1746 in de Hof van Wouw komen wonen. Zes jaar later was zij zodanig “krankzinnig” dat zij al haar bezittingen, inclusief haar kleren, bed en dekens naar de bank van lening had gebracht of had verkocht. Pogingen van de regenten om Alida elders onder te brengen mislukten. Uiteindelijk kwam de vrouw “tot bedaren” en vroeg zij de regenten van het hofje om hulp. Deze besloten de normale toelage van drie gulden per maand en 15 ton turf aan de ongelukkige bewoonster uit te keren, zodat ze niet van “koude en ongemak zou moeten vergaan”.

Daarnaast kreeg Alida een bed en deken van de Hof te leen, en besloten de regenten dat zij op kosten van de Hof de meest noodzakelijke kledingstukken zou krijgen.

Elisabeth van der Roer

Ook de toestand van Elisabeth van der Roer zal vaak onderwerp van gesprek zijn geweest onder haar medebewoonsters. Zij was in 1740 zó “ellendig en zwak” dat zij niet alleen niet voor zichzelf kon zorgen: de zorg voor haar groeide ook de binnenmoeder en de overige bewoonsters van de Hof boven het hoofd. Extra hulp van “een bekwaam persoon”, die volgens de reglementen van de Hof moest worden ingekocht, bleek echter te duur. Uiteindelijk werd er een verzorgster voor Elisabeth gevonden. Kort daarna overleed zij.

Adriana de Koning

Zorgen om ouderen die vanwege ziekte of mankementen zwaar leunen op mantelzorg blijken dus van alle tijden. Dat blijkt ook uit de laatste levensjaren van Adriana de Koning. In 1760 trok de binnenmoeder van de Hof aan de bel: de zorg voor Adriana werd de bewoonsters te veel. Adriana was niet alleen hoogbejaard, maar ook blind. Dit zorgde voor gevaarlijke situaties, vooral ‘s avonds, vanwege “vuur en licht”. In een tijd waarin de enige lichtbronnen kaarsen of olielampjes waren en men voor verwarming en koken afhankelijk was van een open haard, is het inderdaad goed voor te stellen dat de bewoonsters van de Hof hun handen vol hadden aan een blinde, hoogbejaarde medebewoonster.

Petroleumkacheltje

Gevaarlijke situaties met “vuur en licht” deden zich niet alleen in de 18e eeuw voor. In 1963 ontsnapte een bewoonster van de Hof van Wouw aan de dood toen zij op een avond bezoek kreeg. Alhoewel het zomer was vond de vrouw het toch wat kil, waarop ze besloot haar petroleumkacheltje aan te doen. Door dit besluit haalde zij de krant, want op de één of andere manier trad er zuurstofgebrek op. In een nieuwsbericht over deze avond valt te lezen dat hierdoor niet alleen de kachel na een uurtje uitging, maar dat ook de bewoonster van de Hof en haar visite versuft in hun stoelen hingen. Gelukkig wist de bewoonster desondanks nog net op tijd hulp te halen, waarna zowel zij als haar visite na controle in het ziekenhuis weer naar huis konden.

De binnenmoeder

In bovenstaande gevallen zien we dat de binnenmoeder een centrale rol speelde bij de verzorging van de bewoonsters. Zij was het eerste aanspreekpunt voor de dames, regelde de verzorging van bewoonsters wanneer dat nodig was en trok bij het Regentencollege aan de bel wanneer de nood te hoog werd en zij bijvoorbeeld extra geld nodig had voor het ontbieden van een dokter. Hierdoor stond de binnenmoeder hoger in aanzien dan de rest van de bewoonsters. Sommigen van de binnenmoeders hadden de wind er goed onder bij hun “dochters”, zoals buitenstaanders de bewoonsters van het Hof rond 1900 plachtten te omschrijven.

De geschiedenis herhaalt zichzelf

De verplichting om voor elkaar te zorgen zal van tijd tot tijd een behoorlijke belasting voor de bewoonsters zijn geweest. Tegelijkertijd laten vooral de sores van de vroegere bewoonsters zien dat liefdadigheidshofjes als die van Cornelia van Wouw vroeger de redding van veel oudere, alleenstaande dames moeten zijn geweest in de vaak harde samenleving van vroeger eeuwen.

Wellicht worden zij dat, zij het in aangepaste vorm, in de toekomst opnieuw. Sinds een jaar of tien wordt het “hofjesidee” als woonvorm voor 60 plussers nieuw leven ingeblazen. Een voorbeeld hiervan is het “Knarrenhof” (ik heb de naam niet verzonnen!). De geschiedenis lijkt zichzelf, ook in het geval van de ouderenzorg, te herhalen.

Bronnen:

– De hoogte van de huur van een hofjeswoning in 1911 staat in de Haagsche Courant van 7-03-1911.

– Het krantenbericht over het petroleumkacheltje staat in De Tijd-Maasbode van 23-08-1963, met als titel: Zuurstofgebrek. Bejaarden aan dood ontsnapt.

– De prent van twee bewoonsters die bij de pomp bespreken hoe blij ze zijn dat zij in de Hof wonen, komt uit de collectie Atlas van Stolk, inventarisnumer 8884.

BLOG Marjolein Jorna: Cornelia van Wouw: een geëmancipeerde dame in een mannenmaatschappij

In de regentenkamer van de Hof van Wouw hangt een groot schilderij van de stichteres Cornelia van Wouw. Op dit schilderij van de kunstschilder Adriaan Hanneman kijkt ze de bezoeker recht aan, terwijl op de achtergrond haar hofje net zichtbaar is. Aan alles is te zien dat Cornelia een bemiddelde en ontwikkelde dame is geweest. Haar zwarte japon met zwart kapje en witte boorden en kraag oogt duur, evenals de draperie achter haar. Ze is niet afgebeeld in een huiselijke setting, maar met een ganzenveer in haar hand en twee lijvige boeken voor haar. Waar ze precies aan werkt, daar verschillen de meningen over, maar ik denk dat we Cornelia hier zien in haar rol van regentes, bezig met de administratie van haar hofje. Voor de 17e eeuw klinkt dit behoorlijk feministisch en geëmancipeerd, maar klopt dit ook? Was Cornelia rond 1650 als stichteres en regentes van een liefdadigheidshofje daadwerkelijk haar tijd vooruit?

Huiswijf: een statussymbool

Voordat we hierop in kunnen gaan, moeten we bedenken dat de term “feminisme” een 20e eeuwse term is. In de 17e eeuw waren mannen en vrouwen vermoedelijk niet of nauwelijks bezig met de vraag of zij dezelfde rechten en plichten moesten hebben. Cornelia leefde in een mannenmaatschappij, opgelegd door zowel het geloof als door natuurlijke wetten. Hierbinnen stond het huwelijk hoog aangeschreven en was in principe de man de baas in huis. Hij zorgde voor het inkomen, terwijl zijn vrouw het huishouden deed. Sterker nog: huishoudelijk werk voor de vrouw werd in de Gouden Eeuw gezien als één van de bewijzen voor de welvaart van de toenmalige Nederlanders. Tot in de Middeleeuwen moésten vrouwen vaak met hun man meewerken om het hoofd boven water te houden. In de 17e eeuw konden steeds meer gezinnen echter rondkomen van vaders’ salaris. Vrouwen hoefden nu minder vaak buitenshuis te sloven, maar konden hun tijd wijdden aan het “spic en span” houden van het huis. Het zijn (of hebben) van een “huisvrouw” (of “huiswijf” in de toenmalige terminologie) werd daarmee een soort statussymbool.

Ongetrouwd en handelingsbekwaam

In dit opzicht week Cornelia af van de heersende gewoontes van haar tijd. Ze is namelijk haar hele leven ongetrouwd gebleven, wat voor Nederlandse dames hoogst uitzonderlijk was in de Gouden Eeuw. Rond 1650 trouwde waarschijnlijk meer dan 90% van de vrouwen in de Republiek. Het ontbreken van man en kinderen hield automatisch in dat Cornelia haar tijd aan andere zaken kon besteden dan aan de huishouding – zoals aan het stichten en besturen van haar hofje. Ze had hier haar handen voor vrij, maar misschien nog wel belangrijker: als alleenstaande vrouw gold Cornelia gedurende haar hele volwassen leven als handelingsbekwaam.

Het was wettelijk bepaald (tot 1956 overigens!) dat volwassen vrouwen de bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten, verloren op het moment dat zij in het huwelijksbootje stapten. Ze werden dan handelingsonbekwaam. Zodra zij hun “jawoord” hadden uitgesproken kwamen zij namelijk onder het gezag van hun echtgenoten, die meer geschikt waren voor het regelen van financiële en juridische zaken, zo was de algemene gedachte. Cornelia had echter als “oude vrijster” evenveel recht op het “verrichten van rechtshandelingen” als de mannen uit haar tijd.

Zelfbewust

Uit het feit dat Cornelia ook daadwerkelijk gebruikmaakte van haar handelingsbekwaamheid door een liefdadigheidshofje voor alleenstaande vrouwen te stichten, kunnen we opmaken dat Cornelia een zelfbewuste dame was. Het oprichten van een hofje van liefdadigheid gold in de Gouden Eeuw als een goede manier om de eigen naam voort te laten leven. Alhoewel er in de 17e en 18e eeuw meer vrouwen waren die het initiatief namen tot het oprichten van een liefdadigheidshofje (bijvoorbeeld Maria van Aerden-Ponderus, Margaretha Splinter en Cornelia Elisabeth Occo), behoorde Cornelia in deze wel tot de minderheid. De meeste liefdadigheidshofjes uit de 17e en 18e eeuw lijken te zijn opgericht door mannen.

Meesteressen

Ik kan mij voorstellen dat er enige moed en durf voor nodig is geweest om als vrouw tot een mannenbolwerk toe te treden, al lijkt het er tegelijkertijd op dat eigengereidheid de meeste vrouwen in de Republiek niet vreemd was. Buitenlandse bezoekers waren vaak verbaasd over de bazigheid van de Nederlandse vrouwen. Toen de Engelse diplomaat William Temple dineerde bij de Amsterdamse burgemeester thuis en daar meermalen op de grond spuwde, vertelde zijn gastheer hem dat hij van geluk mocht spreken dat mevrouw Hooft afwezig was. Zij zou de heer Temple zonder omhaal buiten de deur hebben gezet.

De Duitse theoloog Benthem verbaasde zich ook over de bazigheid van Hollandse vrouwen, en nog meer over het feit dat mannen dit toelieten. Als Nederlandse gezinnen op zondag gingen wandelen, dan lieten vrouwen zelfs hun mannen de kinderen dragen! En een andere Duitser stelde vast dat terwijl mannen in de meeste landen vrouwen hadden die als koninginnen, prinsessen of slavinnen voor hen waren, de Nederlandse vrouwen optraden als de meesteressen van hun man. En wat te denken van vrouwen die, verkleed als man, om uiteenlopende redenen aanmonsterden op één van de VOC schepen? Zelfbewust, zelfstandig handelen was dus een karaktertrek die vaker voorkwam bij Nederlandse dames, al gaven de meeste vrouwen hier blijk van binnen de beperkte ruimte van een echtverbintenis.

Cornelia en Annie M.G. Schmidt

Aangezien Cornelia een goed gebruik maakte van de juridische en praktische voordelen van haar ongehuwde en vermogende staat, vraag ik mij af waarom Cornelia haar hele leven ongetrouwd is gebleven. Wilde zij graag trouwen, maar lukte het haar en haar familie niet om een geschikte kandidaat te vinden? Of was het haar eigen keuze? Haar welstand en het feit dat ze als ongebonden vrouw haar fortuin naar eigen inzicht kon besteden, doet het laatste vermoeden. Ze is in de geschiedenis ook niet de enige geweest die zelfstandigheid (waarschijnlijk) verkoos boven een man. In de vorige eeuw zou de dreigende handelingsonbekwaamheid voor Annie M.G. Schmidt bijvoorbeeld reden zijn geweest om van een huwelijk af te zien. Wel moeten we in gedachten houden dat een bewuste keuze voor een leven als vrijgezel voor Cornelia vermoedelijk gemakkelijker was dan voor de meeste andere vrouwen. Zij had vooraanstaande, welgestelde familieleden die haar konden steunen.

Twee regentessen, één regent

Daarnaast lijkt Cornelia het oprecht belangrijk te hebben gevonden dat vrouwen zelfstandig waren en binnen de mannenmaatschappij een beschermd leven konden leiden. Daar duidt haar oprichting van het Hofje natuurlijk op, alle pragmatische redenen die zij hier verder voor kan hebben gehad ten spijt, maar vermoedelijk ook de indeling van het regentencollege. Cornelia heeft zelf bepaald dat haar hofje van liefdadigheid na haar dood bestuurt diende te worden door twee regentessen en één regent. Vrouwen konden het beste zorgen voor vrouwen, lijkt Cornelia’s gedachte te zijn geweest. Waarom dan toch één regent? Ook dit hield denk ik verband met de handelingsonbekwaamheid van getrouwde vrouwen. Cornelia voorzag ongetwijfeld dat de meeste regentessen na haar getrouwd zouden zijn. Zij hadden dus een man naast zich nodig die de besluiten kon uitvoeren.

Feministe avant la lettre

De belangrijkste aanwijzing dat Cornelia van Wouw een feministe avant la lettre was, vormt denk ik echter de manier waarop Cornelia ons vanaf haar schilderij aankijkt. Haar blik is is serieus en een tikje hooghartig, maar tegelijkertijd lijkt ze op het punt van glimlachen te staan doordat ze haar linkermondhoek licht optrekt. Al met al ziet Cornelia er bijzonder zelfbewust en zelfverzekerd uit. Hanneman lijkt met Cornelia een model voor zich te hebben gehad dat wist wat ze wilde en hoe ze het wilde. Een man had zij hier niet voor nodig.  

Wilt u meer lezen over de positie van de vrouw in de Gouden Eeuw, dan zijn de volgende publicaties een goed beginpunt:

– Els Kloek, Vrouw des huizes. Een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw. (2009). Hoofdstuk 3 gaat over de Gouden Eeuw.

– Thimo de Nijs, Eelco Beukers e.a., Geschiedenis van Holland. Deel II. 1572 tot 1795 (2002).

BLOG Marjolein Jorna: Heden en Verleden ontmoeten elkaar in de Hof van Wouw

 

Typisch Nederlands

Hofjes leiden een dubbelzinnig bestaan. Aan de ene kant zijn ze een typisch Nederlands verschijnsel. Engeland kent wel de zogenaamde “almshouses”, maar nergens ter wereld zijn zo dikwijls uniforme woninkjes rondom een binnentuin of aan een straat gebouwd als in Nederland, met name in de huidige Randstad.

Een verborgen bestaan

Tegelijkertijd zijn de hofjes bij lange na niet zo bekend bij buitenlandse toeristen als de molens, keukenhof, klompen en kaas. Sterker nog, veel Nederlanders weten niet dat er in ons land honderden hofjes te vinden zijn. Dat gold ook voor mij. Ik woon al mijn hele leven in Den Haag en heb nota bene geschiedenis gestudeerd. Desondanks bleven hofjes buiten mijn gezichtsveld, totdat ik via een collega hoorde van het bestaan van deze hofjes, waaronder de Hof van Wouw. Inmiddels geef ik een jaar of vijf rondleidingen door deze Hof en vind ik het vooral vanuit historisch oogpunt een prachtig stukje van Den Haag. Waarom? Dat leest u hieronder.

Frustratie

Misschien bezoekt u tijdens uw vakanties weleens opgravingen uit de antieke wereld. Als ik op zo'n plek vol ruïnes sta dan vind ik het zo jammer dat er niet méér bewaard is gebleven van de villa's, tempels en amfitheaters. Ik zou zo graag weten hoe zo'n dorp, plein of tempelcomplex er in zijn volle glorie uitgezien heeft en hoe mensen op deze plek leefden.

            In de Hof van Wouw heb ik van deze frustraties geen last. De tuinen en huisjes zijn namelijk sinds een jaar of vijftien weer in hun 17e eeuwse glorie hersteld. Ze zien er niet exact zo uit als bij de stichting in 1647, maar het komt wel aardig in de buurt. De kleine huisjes hebben een warme en vriendelijke uitstraling door hun glas-in-lood ramen, hun rode dakpannen en de crème sierlijsten. In de tuin komt de 17e eeuwse voorliefde voor geometrische patronen en symmetrie duidelijk tot uitdrukking. De pomp in het midden vormt al sinds de stichting van de Hof door Cornelia van Wouw een blikvanger.

            Dit prikkelt mijn fantasie. Bij de pomp zullen heel wat bewoonsters een praatje met elkaar hebben gemaakt, terwijl ze hun witgoed op het gras lieten bleken. De dames maakten gemeenschappelijke ruimten in het verleden samen schoon. Het zal waarschijnlijk vaak gezellig zijn geweest in de Hof. Daarnaast is de kans groot dat in een tijd dat de man als kostwinner werd gezien, heel wat onvermogende, ongetrouwde vrouwen blij zullen zijn geweest met hun eigen huisje, dat bovendien via een poort was afgescheiden van de rest van de stad. De Hof schonk hen veiligheid, geborgenheid en enige zekerheid op een menswaardige oude dag.

            Kortom: iedere keer als ik de Hof van Wouw binnenstap, waan ik mij even in de tijd van Cornelia. Het enige dat – gelukkig – wezenlijk veranderd is, is het wooncomfort. De woningen zijn klein, maar onderscheiden zich in dit opzicht verder niet van andere Nederlandse huurwoningen.

Als muren konden spreken...

Daarnaast fascineert het mij dat de Hof inmiddels zoveel heeft meegemaakt. Gaat u maar na: de huisjes stonden er al toen het rampjaar aanbrak. Op ca. vijf minuten lopen van de voorpoort zijn de gebroeders De Witt vermoord. Toen de Hof gebouwd werd, was Nederland nog een Republiek. Sindsdien heeft ze 7 vorsten meegemaakt en 2 wereldoorlogen overleefd. Om haar muren heen zijn straten aangelegd, gewijzigd en verbreed. Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. De uitspraak “als muren konden spreken...” is op de Hof volledig van toepassing.

Verkleumde worteltjes

Dat er nog archiefmateriaal van de Hof van Wouw bestaat, maakt het makkelijker om erachter te komen hoe het er in het verleden binnen haar muren aan toeging. Zo is het notulenboek bewaard gebleven waar regenten uit de 17e, 18e en 20e eeuw besluiten en opmerkelijke voorvallen in optekenden. (Uit de 19e eeuw heb ik niet of nauwelijks aantekeningen terug kunnen vinden.) Bij elkaar geven de notulen een aardig inzicht in het reilen en zeilen van het hofje in vroeger eeuwen. Het taalgebruik van die tijd was trouwens geweldig. Men omschreef zaken dikwijls heel beeldend. Zo was in de 18e eeuw de huidige Tuin der Hesperiden in slechte staat. De regenten maakten “na rijpe deliberatie” plannen om de tuin op te knappen, want vele bomen waren al 'verminckt'. Zij stonden namelijk tijdens de winter met hun worteltjes vaak langere tijd in het water. Door 'verkleumthijt' lieten zij hun bloesems vervolgens in het voorjaar vallen en brachten zij maar weinig vruchten voort.

Met de tijd mee

Tot slot zijn in de Hof van Wouw het verleden en heden sterk met elkaar vervlochten. Sinds de stichting van de Hof worden de huisjes bewoond door alleenstaande vrouwen met bescheiden financiële middelen; precies zoals Cornelia van Wouw het graag zag. Daarnaast wordt de Hof tot op de dag van vandaag bestuurd door nazaten van de broers en zussen van Cornelia. (U kunt hier elders op de site meer over lezen.)

           Tegelijkertijd exploiteren de regenten de Hof op een eigentijdse manier. De Tuin der Hesperiden is tegenwoordig een stadstuin met een maatschappelijke functie. Heel wat Haagse basisschoolkinderen hebben tijdens “de Week van de smaak” bijvoorbeeld deze tuin al bezocht. Duurzaam werken staat daarbij voor de beheerders voorop. Eén van de pronkstukken van de Tuin der Hesperiden zijn de sinaasappelboompjes. Ook zij zijn vatbaar voor “verkleumde worteltjes”. Tot een paar jaar geleden werden de boompjes daarom elk najaar naar een kas in de Betuwe gereden. Vorige winter konden zij echter voor het eerst overwinteren in een gloednieuwe kas op het eigen terrein. Dit scheelt weer een autorit.

            De Tuinkamer van de Hof is verder al de locatie geweest voor heel wat vergaderingen, recepties en familiefeesten, en regelmatig geniet een bezoeker van zijn rust in de nieuwe Bed en Breakfast, middenin de Hof. Kortom: de Hof van Wouw is niet alleen “een stukje levende historie”, maar ook een soepel draaiend radartje in de Haagse samenleving anno 2017. Kom daar maar eens om bij de Keukenhof!

Wilt u ook weleens de Hof van Wouw bezichtigen, boek dan een rondleiding of bezoek een Open Dag. De Tuinkamer boeken voor een lezing, receptie of familiefeest? Dat kan. Klik dan hier: www.detuinkamer.info. Wellicht tot ziens!