Terug
 

maandag 10 september 2007

Hof van Wouw, een oase in de stad

Door WIM WILLEMS

DEN HAAG - Het heeft wel iets weg van een paradijsje in de binnenstad. Met één Adam en veertien Eva’s.

 

"Het Hof van Wouw is een ontdekking van de eerste orde. Een plek waar de geschiedenis overal doorheen sijpelt." FOTO FRANK JANSEN

 

 

 

Hij beheert de boel overdag en ook na zonsondergang is hun veiligheid gegarandeerd. Als ik via de Brouwersgracht een pad naast het voormalige kloosterterrein opwandel, passeer ik de stenen muur die ooit de nonnen en broeders gescheiden hield.
Dan schuift langzaam de toegangspoort open naar het achterhof: de Tuin der Hesperiden. In de Griekse oudheid waren dat de dochters van Atlas, de man met die wereldbol op zijn nek. De meisjes bewaakten een tuin waarin de levensboom groeide. Aan de takken ervan groeiden gouden appels, en door die te eten bleven zij eeuwig leven. Dat is wel heel erg lang, daarom laat ik de oplichtende sinaasappels rustig hangen.
Mijn blik valt op de zon doorlatende takken van een wilde kastanje. Tweehonderd meter verderop in de stad razen moderne auto’s over de klinkers. Maar in de oase hierbinnen staan een moerbeiboom, een juttepeer en een walnootboom van honderd jaar oud in bloei. In het midden van de tuin verrijst een beige geschilderde, houten duiventil, op een hoge, rode paal. Bovenop beweegt een vergulde zwaan. De witte pauwstaartjes die er zachtjes koeren zijn eigen kweek.
De beheerder is een voormalige marineman, die een wakend oog houdt op de vogels. Want als hij even niet oplet, vliegen de raven binnen, om de eieren te stelen. In de natuur mag het oog om oog zijn, in dit hof worden de zwakken beschermd. En gevoed uit eigen moestuin.
In het zomerse jaargetijde komen de slakroppen, de andijvie en de bietjes op. In de winterkou worden er Hollandse spruiten geplukt. De geuren in het perk met kruiden bedwelmen me. De peertjes van de leiboom verderop voeren me terug naar de gaarde achter de arbeiderswoning van mijn Overijsselse opa. Hier lijkt de tijd even de adem in te houden, om rust te brengen in het hart van het Haagse Centrum.
Een regentes is een vrouw van vroeger, maar in dit Hof van Wouw is zij nog altijd de baas. De dame die mij met een licht afwerende blik aankijkt op een schilderij boven de schouw van de regentenkamer, was de eerste in een lange reeks. Nederland had zich nog maar net bevrijd van de Spanjaarden, toen Cornelia van Wouw - kleindochter van een Haagse burgemeester - in 1647 dit tehuis voor dienstmaagden liet bouwen.
Wie goed protestants was, een leven lang gesloofd had voor de rijken en recht meende te hebben op een rustige oude dag, kon hier terecht. Nou ja, recht, het was meer een kwestie van geluk. Haar initiatief welde niet zomaar op uit een goed hart.
Het verhaal wil, dat zij op een dag bewusteloos raakte. De artsen verklaarden haar dood, maar de dienstmaagd van het huis, een meisje dat Elsje Ariëns heette, wilde er niet aan dat haar meesteres was heengegaan. Ze bleef maar roepen dat de vrouw op haar lijkbaar niet echt dood kon zijn. Met haar twijfel wist ze de begrafenis ten slotte te verijdelen. Sterker nog, als in een spookfilm wekte ze haar mevrouw op uit de doden.
Hoe ze dat deed, vertelt de overlevering niet. Hoeven we ook niet te weten. Er heerste vreugde alom, zeker in de welgestelde familie Van Wouw. Om een monument op te richten voor de toewijding van haar dienstmaagd, heeft Cornelia toen één van de fraaiste hofjes in de binnenstad laten verrijzen. Ze plaatste zichzelf aan het hoofd ervan, als regentes. Een ambt dat zij 35 jaar lang zou bekleden. Maar ze schreef ook boeken voor de jeugd, met richtlijnen voor een juiste manier van leven. Alleen zijn die verloren gegaan. Op het schilderij houdt ze haar ganzenveer vast met elegantie en ernst tegelijk. Ook haar taak als opvoedster nam ze serieus.
In de kamer waar zij ooit haar functie vervulde, hangt nu een lijst met namen. Daarop staan alle regenten die sinds haar aantreden hebben gewaakt over dit tehuis voor alleenstaande dames. Wie tegenwoordig een huisje wil bemachtigen, hoeft niet meer als dienstbode door het leven te zijn gegaan. Echt bejaard is ook niet nodig. Vijftig plus volstaat, en een kleine beurs. Nog altijd is het de taak van de regentes om ervoor te zorgen dat in ieder geval een handvol vrouwen in de regio niet verkommert op haar oude dag.
De huidige beschermvrouw heet Jeanne Kamerlingh Onnes, uit een oeroud geslacht. In de buurstad Leiden heeft zij Arabische talen gestudeerd. Net als veel leden van haar familie lag zij als baby in de wieg die nu als pronkstuk in de regentenkamer staat. Al twee eeuwen komt dit bedje steeds weer op de proppen als er nieuw leven kraait. De overkapping is van een rode stof gemaakt, met roosjes erin verwerkt. De wieg doet denken aan een poppenhuis. Dat geldt ook voor het dekentje waaronder de kleintjes hun eerste dromen droomden. De koperen plaat aan de zijkant bewijst dat het bedje nog altijd dienstdoet. Er staan de namen in gegraveerd van alle baby’s die er de afgelopen tweehonderd jaar ondergestopt zijn. Met recht een historisch meubelstuk, zij het alleen bestemd voor de nazaten van het college van regenten.
In het oudste deel van de Hof van Wouw, waar de huisjes van de dames rondom liggen, staat een oude dorpspomp. De bron die daar ooit is aangeboord, zorgt nog altijd voor vers grondwater. Het stroomt uit de bek van een groen uitgeslagen draak. Er staan ook een paar witgeschilderde banken voor de bewoonsters, om in het zonlicht te zitten kletsen.
Over hen allen wordt de wacht gehouden door een zwaan, met een robijnrode snavel en een gouden halsband in de vorm van een kroontje. De witte vogel is geschilderd tegen een blauw front, als symbool van de familie. Het is typisch zo’n figuur voor op de wapenschilden van Oudhollandse geslachten.
Van de Wouws is bekend dat zij al vroeg het drukwerk verzorgden voor de staat. Dat leverde voldoende op voor de aanschaf van de nodige hectaren grond rondom de stad. Ook verwierven zij het recht om te jagen op duiven en op zwanen. Misschien verwees het kroontje om zijn majestueuze hals wel naar de banden met het adellijke hof in die tijd.
In de loop van de eeuwen hebben er heel wat dames met blauw bloed door de regentenkamer gewandeld. Bij het weggaan werp ik daarom even een blik in het gastenboek, dat er nog niet zo lang ligt. Terugbladerend stuit ik op een bekende naam boven aan de eerste bladzijde: het is de Haagse schrijver H.F. Bordewijk. Logisch dat dit hofje op de lijst met rijksmonumenten is geplaatst.