Hof van Wouw, een oase in de stad
DEN HAAG - Het heeft wel iets weg van een paradijsje in de binnenstad. Met één Adam en veertien Eva’s.

"Het Hof van Wouw is een ontdekking van de eerste orde. Een plek waar de geschiedenis overal doorheen sijpelt." FOTO FRANK JANSEN
Hij beheert de boel overdag en ook
na zonsondergang is hun veiligheid gegarandeerd. Als ik via de
Brouwersgracht een pad naast het voormalige kloosterterrein
opwandel, passeer ik de stenen muur die ooit de nonnen en broeders
gescheiden hield.
Dan schuift langzaam de toegangspoort open naar het achterhof: de
Tuin der Hesperiden. In de Griekse oudheid waren dat de dochters van
Atlas, de man met die wereldbol op zijn nek. De meisjes bewaakten
een tuin waarin de levensboom groeide. Aan de takken ervan groeiden
gouden appels, en door die te eten bleven zij eeuwig leven. Dat is
wel heel erg lang, daarom laat ik de oplichtende sinaasappels rustig
hangen.
Mijn blik valt op de zon doorlatende takken van een wilde kastanje.
Tweehonderd meter verderop in de stad razen moderne auto’s over de
klinkers. Maar in de oase hierbinnen staan een moerbeiboom, een
juttepeer en een walnootboom van honderd jaar oud in bloei. In het
midden van de tuin verrijst een beige geschilderde, houten
duiventil, op een hoge, rode paal. Bovenop beweegt een vergulde
zwaan. De witte pauwstaartjes die er zachtjes koeren zijn eigen
kweek.
De beheerder is een voormalige marineman, die een wakend oog houdt
op de vogels. Want als hij even niet oplet, vliegen de raven binnen,
om de eieren te stelen. In de natuur mag het oog om oog zijn, in dit
hof worden de zwakken beschermd. En gevoed uit eigen moestuin.
In het zomerse jaargetijde komen de slakroppen, de andijvie en de
bietjes op. In de winterkou worden er Hollandse spruiten geplukt. De
geuren in het perk met kruiden bedwelmen me. De peertjes van de
leiboom verderop voeren me terug naar de gaarde achter de
arbeiderswoning van mijn Overijsselse opa. Hier lijkt de tijd even
de adem in te houden, om rust te brengen in het hart van het Haagse
Centrum.
Een regentes is een vrouw van vroeger, maar in dit Hof van Wouw is
zij nog altijd de baas. De dame die mij met een licht afwerende blik
aankijkt op een schilderij boven de schouw van de regentenkamer, was
de eerste in een lange reeks. Nederland had zich nog maar net
bevrijd van de Spanjaarden, toen Cornelia van Wouw - kleindochter
van een Haagse burgemeester - in 1647 dit tehuis voor dienstmaagden
liet bouwen.
Wie goed protestants was, een leven lang gesloofd had voor de rijken
en recht meende te hebben op een rustige oude dag, kon hier terecht.
Nou ja, recht, het was meer een kwestie van geluk. Haar initiatief
welde niet zomaar op uit een goed hart.
Het verhaal wil, dat zij op een dag bewusteloos raakte. De artsen
verklaarden haar dood, maar de dienstmaagd van het huis, een meisje
dat Elsje Ariëns heette, wilde er niet aan dat haar meesteres was
heengegaan. Ze bleef maar roepen dat de vrouw op haar lijkbaar niet
echt dood kon zijn. Met haar twijfel wist ze de begrafenis ten
slotte te verijdelen. Sterker nog, als in een spookfilm wekte ze
haar mevrouw op uit de doden.
Hoe ze dat deed, vertelt de overlevering niet. Hoeven we ook niet te
weten. Er heerste vreugde alom, zeker in de welgestelde familie Van
Wouw. Om een monument op te richten voor de toewijding van haar
dienstmaagd, heeft Cornelia toen één van de fraaiste hofjes in de
binnenstad laten verrijzen. Ze plaatste zichzelf aan het hoofd
ervan, als regentes. Een ambt dat zij 35 jaar lang zou bekleden.
Maar ze schreef ook boeken voor de jeugd, met richtlijnen voor een
juiste manier van leven. Alleen zijn die verloren gegaan. Op het
schilderij houdt ze haar ganzenveer vast met elegantie en ernst
tegelijk. Ook haar taak als opvoedster nam ze serieus.
In de kamer waar zij ooit haar functie vervulde, hangt nu een lijst
met namen. Daarop staan alle regenten die sinds haar aantreden
hebben gewaakt over dit tehuis voor alleenstaande dames. Wie
tegenwoordig een huisje wil bemachtigen, hoeft niet meer als
dienstbode door het leven te zijn gegaan. Echt bejaard is ook niet
nodig. Vijftig plus volstaat, en een kleine beurs. Nog altijd is het
de taak van de regentes om ervoor te zorgen dat in ieder geval een
handvol vrouwen in de regio niet verkommert op haar oude dag.
De huidige beschermvrouw heet Jeanne Kamerlingh Onnes, uit een
oeroud geslacht. In de buurstad Leiden heeft zij Arabische talen
gestudeerd. Net als veel leden van haar familie lag zij als baby in
de wieg die nu als pronkstuk in de regentenkamer staat. Al twee
eeuwen komt dit bedje steeds weer op de proppen als er nieuw leven
kraait. De overkapping is van een rode stof gemaakt, met roosjes
erin verwerkt. De wieg doet denken aan een poppenhuis. Dat geldt ook
voor het dekentje waaronder de kleintjes hun eerste dromen droomden.
De koperen plaat aan de zijkant bewijst dat het bedje nog altijd
dienstdoet. Er staan de namen in gegraveerd van alle baby’s die er
de afgelopen tweehonderd jaar ondergestopt zijn. Met recht een
historisch meubelstuk, zij het alleen bestemd voor de nazaten van
het college van regenten.
In het oudste deel van de Hof van Wouw, waar de huisjes van de dames
rondom liggen, staat een oude dorpspomp. De bron die daar ooit is
aangeboord, zorgt nog altijd voor vers grondwater. Het stroomt uit
de bek van een groen uitgeslagen draak. Er staan ook een paar
witgeschilderde banken voor de bewoonsters, om in het zonlicht te
zitten kletsen.
Over hen allen wordt de wacht gehouden door een zwaan, met een
robijnrode snavel en een gouden halsband in de vorm van een
kroontje. De witte vogel is geschilderd tegen een blauw front, als
symbool van de familie. Het is typisch zo’n figuur voor op de
wapenschilden van Oudhollandse geslachten.
Van de Wouws is bekend dat zij al vroeg het drukwerk verzorgden voor
de staat. Dat leverde voldoende op voor de aanschaf van de nodige
hectaren grond rondom de stad. Ook verwierven zij het recht om te
jagen op duiven en op zwanen. Misschien verwees het kroontje om zijn
majestueuze hals wel naar de banden met het adellijke hof in die
tijd.
In de loop van de eeuwen hebben er heel wat dames met blauw bloed
door de regentenkamer gewandeld. Bij het weggaan werp ik daarom even
een blik in het gastenboek, dat er nog niet zo lang ligt.
Terugbladerend stuit ik op een bekende naam boven aan de eerste
bladzijde: het is de Haagse schrijver H.F. Bordewijk. Logisch dat
dit hofje op de lijst met rijksmonumenten is geplaatst.