|
In
het centrum van Den Haag ligt
aan de westzijde van de Lange Beestenmarkt (nummer 49 t/m 85) de Hof Van
Wouw. Dit hofje is in 1647 gesticht door Cornelia van Wouw
met als doel de huisvesting van alleenstaande vrouwen. Hiertoe beschikt de
Hof Van Wouw over een aantal huisjes, geschikt voor
eenpersoonshuishoudens. Tot op heden worden de bewoonsters nog gekozen aan
de hand van de regels uit het testament van Cornelia van Wouw.
Dat de Hof
Van Wouw thans tot één van de mooiste en meest authentieke Haagse Hofjes
mag worden gerekend is te danken aan twee restauraties en
woningrenovaties. De eerste geschiedde in de jaren 1955-1960, de tweede
keer in de jaren 1989-1997.
Het complex bestaat nu uit 17 huisjes, waaronder het regentenhuis en het beheerderhuis. De laatste twee woningen bevinden zich aan weerszijden van
de toegangspoort aan de Lange Beestenmarkt en zijn bij de tweede
restauratie in hun oorspronkelijke vorm gerestaureerd, evenals - iets
later - de toegangspoort.
Uiterlijk zijn de huisjes grotendeels 17e-eeuws
gebleven,binnenshuis hebben zich in de loop van de tijd wel enige
veranderingen voltrokken. Zo hebben de huisjes sinds 1904 sanitaire
voorzieningen. Daarvoor waren er twee hokken in de tuin, welke dienst
deden als toiletruimte. In dat jaar zijn de huisjes aangesloten op het
gemeentelijk riool en werden de toiletten tegen de huisjes aangebouwd,
in de jaren vijftig werden deze aanbouwsels afgebroken, en de
sanitaire voorzieningen in de woningen aangebracht. De huidige
opslagruimte in de huisjes is gemaakt in het voormalige turfhok. De
kitchenette kwam in de plaats van de bedstede. De voorheen ongebruikte
zolder werd slaapkamer en doucheruimte. Anno 2002 bestaan de woningen
uit een kamer, kitchenette en toilet op de benedenverdieping. Op de
bovenverdieping bevinden zich een slaapkamer en een doucheruimte. |
Actueel
(Update 7 maart 2010):
Lentebezichtiging, april 2010
Programma Hof-en Tuindagen 2010
Vrijwilligers gezocht
|
Ontstaansgeschiedenis van Hofjes in
Nederland
Naarmate de urbanisatie in Nederland zijn beslag krijgt, zo in de loop van
de 13de eeuw, ontstaat geleidelijk aan een tot dan toe onbekend probleem:
ouderen huisvesting.
Aanvankelijk hadden de woningen in de stad dezelfde vorm en afmetingen als
de huizen die op het platteland en in de dorpen gangbaar waren: ruime
drieschepige boerderijen die al eeuwenlang, vanaf de Bronstijd, in gebruik
waren. Woningen die ruimte boden aan een hele familieclan. Naarmate de
ommuurde- of omgrachte steden echter volgebouwd raakten moesten nieuwe
woningen wel kleiner en compacter gebouwd gaan worden. Zo ontstaat een nieuw
en tot dan toe onbekend huistype, het stadshuis, gekenmerkt door een klein
vloeroppervlak en verdiepingen. Een dergelijk huis bood slechts onderdak aan
één gezin.
Het gevolg van het in gebruik raken van deze kleine ééngezinswoningen is dat
er, letterlijk, geen ruimte meer overbleef om opa en oma te huisvesten...
Om bejaarden toch onderdak te kunnen bieden ontstonden de volgende
mogelijkheden:
Gasthuizen
Begijnhoven
Heilige
Geest Broederschappen
Proveniershuizen
Kameren
of Hofjes
Gasthuizen - kerk
Het ondernemen van pelgrimstochten neemt in de 7e en 8e eeuw op een zodanige
manier toe dat er in sommige gebieden problemen ontstaan met het tijdelijk
onderbrengen van pelgrimgangers. De kerk gaat er zich dan mee bemoeien en in
816 verschijnt er dan ook een pauselijke verordening die het bisschoppen
verplicht om in hun gebieden een Gasthuis te stichten.
Deze gasthuizen hebben een tweeledig doel:
|
1) |
Het verschaffen van onderdak aan vreemdelingen, voornamelijk pelgrims,
waarbij bepaald werd dat de verblijfsduur niet meer dan drie dagen mocht
zijn. |
|
2) |
Het verlenen van armenzorg waarbij het verschaffen van maaltijden de
voornaamste taak was. |
Later, in de dertiende eeuw, treedt er meer en meer een specialisatie op,
waarbij de gasthuizen zich op twee gebieden toelegden:
|
a) |
De bejaardenzorg. Iemand kon zich inkopen in een gasthuis. Deze "kostkopers" ook wel
proveniers genoemd voorzagen zichzelf op deze wijze van een verzorgde
oude dag.
Een
Haarlems voorbeeld hiervan is het Antonie Gasthuis. |
|
b) |
De ziekenzorg. De voorlopers van onze ziekenhuizen. Soms vond specialisatie plaats en
legde men zich toe op het verplegen van bepaalde ziektes, bijvoorbeeld
de pesthuizen. Een Haarlems voorbeeld is het Sint Elisabeths- of Grote Gasthuis. |
Begijnhoven - kerk ( 12e eeuw )
Een tussenvorm tussen klooster en gezinsleven is het in de 12e eeuw ontstane
begijnhof. Men dient hier wel een gelofte af te leggen maar men is vrij om
het hof te verlaten. Overigens zijn begijnhoven niet bedoeld voor louter
bejaarden.
De bouwwijze van een begijnhof vertoont veel overeenkomsten: kleine huisjes
gegroepeerd rond een bleekveldje waarbij een kruidentuin bijna nooit
ontbreekt.
Een begijnhof is een fenomeen dat men bijna uitsluitend in de Nederlanden,
het huidige België en Nederland, tegenkomt.
In de Noordelijke Nederlanden (Nederland) zijn er van de oorspronkelijk 40
hoven nog twee over (Amsterdam en Breda). In de Zuidelijke Nederlanden
(België) zijn de hoven bijna allemaal blijven bestaan.
Heilige Geest Instellingen - stedelijke overheid ( 13e / 14e eeuw )
Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw gaat ook de stedelijke overheid zich
met sociale voorzieningen bemoeien. Hiertoe worden de Heilige Geest
Broederschappen opgericht die in tegenstelling tot wat de naam doet
vermoeden, geen enkele band met de kerk hebben.
Het voornaamste doel van een Heilige Geest Broederschap is het helpen van de
armen. De leden, de broeders, worden benoemd en gecontroleerd door het
stadsbestuur. In de praktijk blijkt dit een betrouwbaarder systeem te zijn
dan de vaak nogal corrupte kerkelijke instanties.
Na de Reformatie, als de rol van de kerk in de Noordelijke Nederlanden
wegvalt, zien we dat kloosters en begijnhoven verdwijnen en dat de
gasthuizen ziekenhuizen worden.
De stadsregering stimuleert de bejaardenzorg. Voor de arme leden van de
stadsbevolking worden Oudemannen- en Oudevrouwenhuizen opgericht terwijl de
rijke(re)n, degenen die de inkoopsom op konden brengen, terecht konden in de
Proveniershuizen.
Hofjes - ( 14e eeuw )
Vanaf het midden van de 14e eeuw ontstaan uit al de genoemde instellingen,
of delen of combinaties daarvan, de Hofjes zoals wij die vandaag de dag
kennen.
Een hofje is een oer-Hollands fenomeen. Afhankelijk van wat voor definitie
voor hofje gehanteerd wordt zijn er 144 van in ons land waarbij er zich 24
buiten Noord- en ZuidHolland bevinden.
Hofjes zijn knusse schilderachtige huisjes gegroepeerd rond een tuin en
bijna altijd voorzien van een pomp en een poortje maar bovenal worden ze
gekenmerkt door een welhaast weldadige rust.
Als negatief effect wordt wel de sociale controle van de bewoners onderling
naar voren gebracht maar daar staan heel wat positieve zaken tegenover.
Alleen al het niet verkommeren van de bejaarde door met name de burenhulp
wordt als een groot goed ervaren. Recent wetenschappelijk onderzoek naar de
meest ideale woonvorm voor bejaarden heeft het eeuwenoude hofje op de eerste
plaats gezet.
Hofjes waren tot enkele decennia terug voor een bezoeker uiterst romantische
huisjes terwijl ze voor een bewoner vaak donker, vochtig, onpraktisch en
vaak tamelijk bouwvallig waren.
De belangstelling van bejaarden voor een plaatsje in een hofje neemt in de
periode van de wederopbouw, na 1945, af ten gevolge van de grote
belangstelling voor de nieuw gebouwde bejaardentehuizen. In de
studentensteden Amsterdam en Leiden worden vrijkomende plaatsen in een hofje
dan ook meer en meer ingenomen door studenten wat de unieke hofjessfeer,
voorzichtig uitgedrukt, doet afnemen.
In het midden van de 80er jaren van de 20e eeuw vindt er dan een omslag
plaats: het toenmalige ministerie van WVC maakt van hofjes
"cultuurmonumenten" met als gevolg dat er subsidies verstrekt worden die tot
ingrijpende restauraties leidden. Momenteel zijn het grootste deel van de
Nederlandse hofjes grondig onder handen genomen. Naast omvangrijke
uitwendige restauraties hebben heel wat hofjes ook een grote inwendige
aanpassing aan de hedendaagse wooneisen ondergaan. Zo is bij heel wat hofjes
geschoven met de tussenmuren waardoor de woninkjes groter, moderner en
comfortabeler geworden zijn. Doordat zij nu aan de eisen van een moderne
eenpersoonswooneenheid voldoen, is de belangstelling om er te wonen enorm
gestegen. Menig hofje heeft een wachtlijst voor belangstellenden waar vele
tientallen namen op prijken.
Hofjes zijn globaal in drie categorieën te verdelen:
|
1)
particuliere stichtingen |
Deze groep hofjes is gesticht door particulieren. Meestal rijke mensen
die een deel van hun vermogen, meestal na hun dood, willen besteden aan
liefdadigheid. Met name in de 17e en 18e eeuw kwam dat vaak voor. Het
stichten van een hofje gaf ontegenzeggelijk aan een familie een zekere
status. Een gevelsteen onder-streepte die goedheid dan nog eens
overduidelijk. Een veelzeggende tekst luidde dan ook: Mevrouw X laat
hier haar liefde en godsdienst blijken, den armen tot troost - tot
voorbeeld van de rijken. Een zekere mate van ijdelheid is hier niet
vreemd aan. |
|
2)
kerkelijke stichtingen |
Hofjes die in het leven geroepen zijn door kerkelijke instellingen van
weldadigheid. Hieronder vallen behalve de oude gasthuizen ook de na de
reformatie, in navolging van Heilige Geest Stichtingen, gestichte
hofjes. |
|
3)
stedelijke overheid stichtingen |
Hieronder vallen de door de Heilige Geest Broederschappen gestichte
hofjes, waarvan er velen zich in de loop der eeuwen losgemaakt hebben
van de stedelijke banden of een min of meer zelfstandig onderdeel
uitmaken van gemeentelijke woningbouwcorporaties. |
|